Spinoza, ‘Verhandeling over de verbetering van het verstand’

Een korte achtergrondschets Spinoza (1632-1777) leefde in de 17e eeuw toen de lage landen en een groot deel van Europa in de greep waren van een lange strijd om het ware geloof, de tachtigjarige oorlog. Spinoza zag er de waanzin van in. Hij was ervan overtuigd dat als de mens logisch zou nadenken - zoals in de wiskunde het geval is - dat men wel tot het inzicht moest komen dat oorlogvoeren, over zoiets onverifieerbaars als het geloof, volkomen zinloos was. De vrede zou aanstaande zijn. Helaas voor Spinoza is de mensheid nog niet veel opgeschoten in het bestrijden van conflicten terwijl we onszelf rijk prijzen met een onmetelijke wijsheid! Conflicten is een antropologische constante in de bestaansconditie van de mens. Dat neemt niet weg dat de inspanningen van Spinoza het bestuderen niet waard zou zijn. In tegendeel. Onderstaand epistel is een korte schrijfopdracht die ik in mijn eerste studiejaar Wijsbegeerte 2017-2018 maakte in het kader van het vak Moderne* Filosofische Auteurs *De moderne tijd klinkt verneukeratief als zou dat naar de huidige tijd verwijzen maar dat is niet zo. De moderne tijd staat voor de filosofische periode die begint met de verlichting begin 17e eeuw en loopt tot aan de het eind van de 19e begin 20e eeuw, die dan als 'Hedendaags' te boek staat. Zoektocht In Spinoza’s ‘Verhandeling over de verbetering van het verstand’ wordt de lezer meegenomen op een zoektocht naar ‘het hoogste goed’ dat de schrijver zelf omschrijft als ‘iets, dat eens gevonden en verworven, mij tot in eeuwigheid en zonder onderbreking de hoogste blijdschap zou geven 1’ Hiermee is de toon gezet in het adresseren van één van de meest fundamentele levensvragen. Alhoewel Spinoza de methode van de metafysische twijfel van Descartes niet onderschrijft, begint ook zijn zoektocht met een gerede twijfel, en wel over de bestaansmogelijkheid van ‘het hoogste goed’ Hierover zegt hij: Aanvankelijk leek het me immers niet aan te raden om vrijwillig iets dat zeker was op te geven voor iets waarvan vooralsnog niets vaststond. De voordelen van eer en rijkdom kon ik zien maar ik begreep ook dat ik gedwongen zou zijn ze niet langer na te jagen als ik ernst wilde maken met iets geheel anders. 1 Basale drijfveren Uit bovenstaand citaat kan opgemaakt worden dat de onzekere belofte van ‘iets geheel anders’ tegenover de zekerheid van de voordelen van eer en rijkdom een grote aantrekkingskracht op hem uitoefent. Voor Spinoza is het helder dat de basale drijfveren van de meeste mensen te herleiden zijn tot lust, eer of rijkdom. Tegelijkertijd constateert Spinoza uit het observeren van het gedrag van deze mensen, dat, als hij ook een dergelijke keuze zou maken, hij zich zou moeten richten op het mijden van wat deze mensen mijden en na te jagen wat zij najagen. Zoals een goede rationalist betaamt, besluit hij zijn twijfel op basis van een, met redelijk argumenten gefundeerde, logische afweging. Zou het hoogste goed alsnog in eer en rijkdom gelegen zijn, dan moest het gevolg wel zijn dat ik het nooit zou vinden; als het daarentegen niet in rijkdom en eer gelegen was en ik me toch alleen daaraan zou blijven wijden, dan zou ik het hoogste geluk evenzeer mislopen. 1 Verrassende conclusie Uiteindelijk komt Spinoza tot een verassende conclusie. Verrassend in die zin dat hij zich weet in te leven in een situatie waarin hij het geluk van rijkdom en eer zou hebben bereikt. Het is een realisatie die de meeste mensen pas maken op het moment dat ze aan den lijven hebben moeten ondervinden dat het ‘hoogste goed’ niet besloten bleek te liggen in eer en rijkdom. Maar zelfs een weinig nadenken leer mij onmiddellijk al dat, als ik rijkdom en eer opgaf en mij inderdaad zou toeleggen op een nieuwe leefregel, het goede dat ik liet varen van nature juist onzeker is (zoals uit wat ik gezegd heb al valt op te merken) terwijl het goede dat ik zocht slechts onzeker was of het bereikt kon worden. 1 Het hoogste goed Daar het ‘hoogste goed’ ‘tot in eeuwigheid en zonder onderbreking de hoogste blijdschap zou geven’ volgt hieruit dat geluk op basis van eer en rijkdom zeer onzeker is, daar het voor een belangrijk deel afhankelijk is van goedkeuring van anderen. Het is niet onmogelijk deze vorm van geluk te bereiken, het is echter zeer onzeker of je deze vorm van geluk kan behouden. De enige onzekerheid van het ‘hoogste goed’ is derhalve niet dat het bestaat maar of het verwezenlijkt kan worden. Bibliografie 1 Baruch Spinoza, Verhandeling over de verbetering van het verstand, vert. Theo Verbeek (Groningen: Historische Uitgeverij, 2002), 27-29. Spinoza, Baruch. Verhandeling over de verbetering van het verstand. Vertaald, ingeleid en van een nawoord voorzien door Theo Verbeek. Groningen: Historische Uitgeverij, 2017.

Inhoudsopgave

Inleiding

Een korte achtergrondschets

Spinoza (1632-1777)  leefde in de 17e eeuw toen de lage landen en een groot deel van Europa in de greep waren van een lange strijd om het ware geloof, de tachtigjarige oorlog. Spinoza zag er de waanzin van in. Hij was ervan overtuigd dat als de mens logisch zou nadenken – zoals in de wiskunde het geval is – dat men wel tot het inzicht moest komen dat oorlogvoeren, over zoiets onverifieerbaars als het geloof, volkomen zinloos was. De vrede zou aanstaande zijn. Helaas voor Spinoza is de mensheid nog niet veel opgeschoten in het bestrijden van conflicten terwijl we onszelf rijk prijzen met een onmetelijke wijsheid!  Conflicten is een antropologische constante in de bestaansconditie van de mens. Dat neemt niet weg dat de inspanningen van Spinoza het bestuderen niet waard zou zijn. In tegendeel. Onderstaand epistel is een korte schrijfopdracht die ik in mijn eerste studiejaar Wijsbegeerte 2017-2018 maakte in het kader van het vak Moderne* Filosofische Auteurs

*De moderne tijd klinkt verneukeratief als zou dat naar de huidige tijd verwijzen maar dat is niet zo. De moderne tijd staat voor de filosofische periode die begint met de verlichting begin 17e eeuw en loopt tot aan de het eind van de 19e begin 20e eeuw, die dan als ‘Hedendaags’ te boek staat.


Zoektocht

In Spinoza’s ‘Verhandeling over de verbetering van het verstand’ wordt de lezer meegenomen op een zoektocht naar ‘het hoogste goed’ dat de schrijver zelf omschrijft als ‘iets, dat eens gevonden en verworven, mij tot in eeuwigheid en zonder onderbreking de hoogste blijdschap zou geven 1’ Hiermee is de toon gezet in het adresseren van één van de meest fundamentele levensvragen. Alhoewel Spinoza de methode van de metafysische twijfel van Descartes niet onderschrijft, begint ook zijn zoektocht met een gerede twijfel, en wel over de bestaansmogelijkheid van ‘het hoogste goed’ Hierover zegt hij:

Aanvankelijk leek het me immers niet aan te raden om vrijwillig iets dat zeker was op te geven voor iets waarvan vooralsnog niets vaststond. De voordelen van eer en rijkdom kon ik zien maar ik begreep ook dat ik gedwongen zou zijn ze niet langer na te jagen als ik ernst wilde maken met iets geheel anders. 1

Basale drijfveren

Uit bovenstaand citaat kan opgemaakt worden dat de onzekere belofte van ‘iets geheel anders’ tegenover de zekerheid van de voordelen van eer en rijkdom een grote aantrekkingskracht op hem uitoefent. Voor Spinoza is het helder dat de basale drijfveren van de meeste mensen te herleiden zijn tot lust, eer of rijkdom. Tegelijkertijd constateert Spinoza uit het observeren van het gedrag van deze mensen, dat, als hij ook een dergelijke keuze zou maken, hij zich zou moeten richten op het mijden van wat deze mensen mijden en na te jagen wat zij najagen. Zoals een goede rationalist betaamt, besluit hij zijn twijfel op basis van een, met redelijk argumenten gefundeerde, logische afweging.

Zou het hoogste goed alsnog in eer en rijkdom gelegen zijn, dan moest het gevolg wel zijn dat ik het nooit zou vinden; als het daarentegen niet in rijkdom en eer gelegen was en ik me toch alleen daaraan zou blijven wijden, dan zou ik het hoogste geluk evenzeer mislopen. 1 

Verrassende conclusie

Uiteindelijk komt Spinoza tot een verassende conclusie. Verrassend in die zin dat hij zich weet in te leven in een situatie waarin hij het geluk van rijkdom en eer zou hebben bereikt. Het is een realisatie die de meeste mensen pas maken op het moment dat ze aan den lijven hebben moeten ondervinden dat het ‘hoogste goed’ niet besloten bleek te liggen in eer en rijkdom.

Maar zelfs een weinig nadenken leer mij onmiddellijk al dat, als ik rijkdom en eer opgaf en mij inderdaad zou toeleggen op een nieuwe leefregel, het goede dat ik liet varen van nature juist onzeker is (zoals uit wat ik gezegd heb al valt op te merken) terwijl het goede dat ik zocht slechts onzeker was of het bereikt kon worden. 1

Het Hoogste Goed

Daar het ‘hoogste goed’  ‘tot in eeuwigheid en zonder onderbreking de hoogste blijdschap zou geven’ volgt hieruit dat geluk op basis van eer en rijkdom zeer onzeker is, daar het voor een belangrijk deel afhankelijk is van goedkeuring van anderen. Het is niet onmogelijk deze vorm van geluk te bereiken, het is echter zeer onzeker of je deze vorm van geluk kan behouden. De enige onzekerheid van het ‘hoogste goed’ is derhalve niet dat het bestaat maar of het verwezenlijkt kan worden.


 Bibliografie

1  Baruch Spinoza, Verhandeling over de verbetering van het verstand, vert. Theo Verbeek (Groningen: Historische Uitgeverij, 2002), 27-29.

Spinoza, Baruch. Verhandeling over de verbetering van het verstand. Vertaald, ingeleid en van een nawoord voorzien door Theo Verbeek. Groningen: Historische Uitgeverij, 2017.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *