Egoïsme ‘The Ego And It’s Own’

Stirner_02

Inhoudsopgave

Play Video

Het Egoïsme van Max Stirner

Een verslag van ‘The Ego And It’s Own’

Max Stirner’s ‘The Ego And It’s Own’ is een boek dat in zijn controverse, veel vragen oproept en veelal onbeantwoordt laat. Het fundamentele uitgangspunt lijkt te zijn dat het subject in een inauthentieke relatie staat ten aanzien van zijn eigen belang.  Het subject stelt zijn eigen belang achter ten opzichte van ideeën en concepten extern aan hem zelf.  Stirner opent hiermee het debat over het statuut van egoïsme waarmee hij lijkt te willen stellen dat er geen ethisch appél op egoïsme kan zijn – in de affirmatie of de ontkenning – maar dat egoïsme rationeel te funderen is. Heden ten dage sluit de descriptivieit van dit rationeel egoïsme aan bij de descriptiviteit van psychologisch egoïsme waarin het egoïsme als een fundamentele antropologisch constante wordt aangenomen.

            Het subject heeft zichzelf, naar het idee van Stirner, ervan overtuigd dat het pas een ‘goed mens’ is, als hij zijn egoïsme opgeeft om grotere doelen buiten zichzelf na te streven (God, humanisme, de staat, moraliteit). Wat het subject echter niet ziet – of toe wil geven – is dat het dienen van een doel buiten zichzelf altijd een doel voorzichzelf impliceert waaruit volgt dat egoïsme een rationeel te onderbouwen concept is.

            Het subject is daarin niet vrij maar heeft zichzelf onderworpen aan grote externe ideëen die hij verder niet kritisch onderzoekt. Stirner spreekt in deze zin over ‘spoken’ of een ‘idee-fixe’ een term die in Stirners tijd, toen de psychologie nog in de kinderschoenen stond, gebezigd werd als mentale diagnose voor mensen die geestesziek waren. Het is bekend dat Stirners moeder deze diagnose kreeg toen ze in een inrichting opgenomen werd.

            Hoewel de draagwijdte van het boek verderrijkt dan de tijdsgeest waar het in geschreven is, blijft het wel van belang om de motivatie van de boodschap van het boek van Stirner in de context van zijn tijd te plaatsen. De eerste decenia van de 19e eeuw worden gekenmerkt door de revoluties en restauraties waarin de emancipatie van de burger en het onstaan van de burgermaatschappij centraal stond. Het lijkt erop dat Stirner deze emancipatie tot in het extreme wilde doortrekken om aan te tonen dat de ulitieme vrijheid van het subject een functie is van de mate waarin het zichzelf steeds opnieuw kan bevrijden van zijn eigen ‘idee-fixes’ voorbij aan de sociale status van dat moment. Stirner doet m.i. een krachtig appél op het individu om zijn eigen waarde niet achter te stellen bij een externe waarde (Verwehrte Dich!). Het vechten voor iets dat niet jouw ‘eigendom’ is, stelt Stirner gelijk aan het toestaan dat je bestolen wordt. Het individue dient in opstand te komen voor dat wat zijn ‘eigendom’ is in tegenstelling tot ‘de mens’ die de revolutie nastreeft vanwege het scheppen van een andere sociale realiteit.

            Deze opvatting lijkt te impliceren dat Stirner bijvoorbaat (a priori) geen vertrouwen heeft in het concept van ‘de staat’ maar de actuele staatsvorm op de koop toeneemt. Het gaat er volgens hem niet om om de maatschappij te veranderen maar om je eigenheid in de actuele maatschappij op te eisen. Wat Stirner precies met zijn boek wil bereiken blijft m.i ambigue maar het tijdloze aspect dat ik erin kan herkennen is dat van de emancipatie van het subject ten op zichte machtsstructuren en de mores van de waan van het tijdsgewricht waarin het subject zich toevallig bevindt.

De relevantie van ‘The Ego And It’s Own’ voor de huidige tijd

Het ligt voor de hand om Stirners boek, als Jong Hegliaan, in relatie te zien met het gedachtegoed van Hegel. Ik vraag me echter af in hoeverre hij daar zelf op uit was en in hoeverre zijn boodschap het Hegliaans denken compleet links laat liggen. Tegelijkertijd drijft Stirner het dialectisch instrument van de negatie tot een extremiteit waarmee hij onderbewust ieder fundament voor welk these dan ook – zelfs die van Stirner zelf – vanaf de conceptie reeds ondermijnt. Voor mij verschijnt ‘The Ego And It’s Own’ dan ook als een ‘opstandig puber’ waarvoor ieder verzet een doel opzich is. Het is de relatief veilige positie van de eindeloze criticaster die goede sier maakt met zijn kritische vragen en tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een concrete vertaling van iedere algemene uitspraak categorisch vermijdt. De argumenten die ten grondslag liggen aan Stirners polemiek tegen de macht van alles dat extern aan het directe eigen belang van het individu is, zijn dan ook gemakkelijk te weerleggen als je ze toetst op haalbaarheid in de concrete realiteit. Stirner lijkt mij slim genoeg om dat zelf ook te hebben beseft. Dat neemt niet weg dat zijn pleidooi voor de acceptatie het egoïsme dat ten grondslag ligt aan het mogen opeisen van je recht op eigendom van je eigenheid, nog steeds enorm waardevol is. Deze boodschap was in de tijd waarin het geschreven is, de tijd van de emancipatie van het subject als burger, enorm relevant. De argumenten voor het hier door Stirner geponeerde inherente egoïsme lijken echter tot op de dag van vandaag nog weinig aan kracht te hebben ingeboet. Stirner roept het subject op zich te bevrijden van de spoken in zijn hoofd. Er bestaat geen ‘goed of kwaad’ buiten het subject die deze normativiteit als zodanig zelf onderschrijft. Je eigen belang (Eigentum) opofferen voor het belang van een transcendente God, de mensheid of de staat is in-authentiek. Deze opoffering is net zo in-authentiekd als pretentie dat het nastreven van dergelijke externe belangen niet egoïstisch zouden zijn. Stirner doet een beroep op de ultieme emancipatie van het subject.

            De kracht van de boodschap van Stirner zit hem wat mij betreft dan ook met name in het radicaal doortrekken van de de-sacraliseren van het geloof sinds de verlichting, naar alle andere universalia die als spoken onze blik op de werkelijkheid kleuren. In het proces van volwassen worden, wordt de mens uitgedaagd de ‘idee-fixen’ van zijn of haar opvoeding en cultuur op ware meritus te heroverwegen. Stirner lijkt te zeggen dat we gerechtigd zijn deze idee-fixen te weerleggen zonder het schuldgevoel van een valse intrepretatie van egoïsme. Maar is het erkennen van het natuurlijk eigendom van je eigenheid dan een universalia die wél ontkomt aan Stirners radicale negatie?

Wat levert het mij op om mijn eigen belang op te geven?

“and yet nothing is sacred of itself, but by my declaring it sacred, by my declaration, my judgement, my bending the knee; in short by my – conscience.”

Het punt dat Stirner hier maakt, is dat we altijd al de eigenaar zijn van zowel onze eigen belangen als van de spoken in ons hoofd die spreken uit naam van een extern belang. Je krijgt aanvankelijk de indruk dat Stirner een onderscheid maakt tussen externe belangen en eigen belangen. Maar waar het uiteindelijk op uitdraait is dat het subject externe belangen zelf tot eigen belangen maakt en daar dus zelf verantwoordelijk is. Op het moment dat het subject deze verwarring onderkent, verschuift automatisch het externe belang naar een eigen belang waaruit je zou kunnen opmaken dat een mens radicaal egoïstisch is en niets doet zonder dat het hem niet op één of andere manier ten goede komt. Wat m.i. hier onderbelicht blijft, is de explicitatie van het belang dat het subject heeft om zijn ‘eigen belang’ op te geven voor het aanhangen van een extern belang. Zou het kunnen zijn dat Stirners relatieve kleine output een kniebuiging was naar het externe belang van de censuur en dat de mogelijke implicaties van het op de proefstellen de belangen van die censuur hem ervan weerhieldt zijn gepeperde polemieken door te zetten?

Tijdloze waarde

‘as I am more than man, namely, I am special man…..[…..] and the word then is not ‘give up your property’ but ‘get the value out of your property!’

‘The Ego And It’s Own’ is een werk dat verwart en aanzet tot het doorgronden van de ware intenties van de auteur. Wat wilde Stirner met dit werk bereiken? Eeuwige roem met alle financiële bijkomende voordelen? Of was ‘The Ego And It’s Own’ zijn manier om zich tegen alles en iedereen af te zetten en toch buiten schot te blijven?  Dat is hem ook daadwerkelijk gelukt is als je je bedenkt dat zelfs de censuur in tweede instantie zijn boek weer vrijgaf na te hebben geconcludeerd dat de argumenten en beweringen te absurd waren om enig gevaar voor de sociale stabiliteit te kunnen zijn? We zullen het waarschijnlijk nooit echt te weten komen. Wat we wel kunnen stellen is dat de verwarring – aporia – sinds Socrates al als het ultieme einddoel van ieder filosofisch onderzoek werd beschouwd. Ook hier lijkt Stirner dus wederom te scoren. Maar in lijn van een aantal andere bemerkingen die ik reeds eerder in het kader van dit werkje heb geuit, vallen mij juist die gedeelten op die niet zouden misstaan in een moderwets ‘zelfhulp’ werkje. Het bovenstaande citaat zou je zo in het repertoire van een zelfhulpcorryfee als Antony Robbins of Oprah Winfrey kunnen aantreffen.  Stirner doet hier een krachtig appél op het staan voor je eigen waarde (of eigenwaarde) en jezelf niet in de uitverkoop gooien voor welke ‘spook’ dan ook. Als je ervan uitgaat dat ieder mens – geplaagd door het onvermijdelijke besef van zijn eigen feilbaarheid – een thema met eigenwaarde heeft uit te zoeken, dan lijken de woorden van Stirner hier een tijdloze boodschap te vertolken. Als Stirner inderdaad zou ambigue en paradoxaal zou zijn als je op het eerste gezicht zou vermoeden dan is de niet aflatende interesse voor zijn werk mogelijk een teken van de waarde van dit soort tijdloze flarden in zijn betoog.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *